De Kruidenklets is verhuisd!

Pas enkele maanden geleden ging mijn blog hier van start als een proefprojectje.
Vanaf 9 mei 2007 is AnneTannes Kruidenklets nu terug te vinden op haar definitieve stek, als onderdeel van AnneTannes Kruidenmand.
Ik verwelkom je graag daar...

28 februari 2007

Tja, wat zijn nu eigenlijk kruiden?

Het fotootje hiernaast heb ik gekozen omdat dit plantje voor herboristen een twijfelgeval kan zijn. Want wat zijn nu eigenlijk kruiden? Toen ik gisteravond het van Dale Woordenboek opensloeg, gaf die tien verschillende definities...
Laat me er enkele overlopen, en dan de mijne toevoegen...

Voor een botanicus is een kruid een niet-houtige zaadplant. Het kunnen dus een- en tweejarigen zijn, of vaste planten, maar geen bomen en struiken. Voor een botanicus is dus het (tweejarige) look-zonder-look een kruid, net zoals peterselie en dille. Salie, roosmarijn en laurier daarentegen zijn struikjes en dus geen kruiden.
Ook de petunia's in je plantenbakken in de zomer zijn volgens een botanicus kruiden.

Voor een kok zijn kruiden planten(delen) die in kleine hoeveelheden aan een gerecht worden toegevoegd om de smaak te accentueren, te verfijnen, aan te passen. Volgens Wikipedia is een keukenkruid afkomstig van niet-houtige gewassen, maar daar ben ik het volledig mee oneens... volgens mij zijn roosmarijn, tijm, laurier... wel degelijk keukenkruiden ;-)! Een kok maakt soms een onderscheid tussen kruiden en specerijen, waarbij kruiden dan planten zijn uit de meer gematigde streken, en specerijen planten(delen) zijn uit (sub)tropische klimaten (en vaak afkomstig zijn van houtige planten).

Net als een kok hecht de (medisch) herborist geen belang aan het al dan niet houtig zijn van een plant, maar wel aan het mogelijke gebruik. Voor een herborist is een plant een kruid wanneer het op basis van zijn inhoudstoffen een waarde heeft op medicinaal vlak. In tegenstelling tot een kok en een botanicus beschouwt een herborist dus een eik, een linde en een berk dus wel als kruiden. Look-zonder-look zal volgens de meeste herboristen niet echt als een kruid worden beschouwd, omdat het medicinaal nauwelijks enige betekenis heeft.

Tja, en wat zijn dan voor mij kruiden? Wel, ik houd van plantjes, en ik klets graag over allehande plantjes, ook over medicinaal weinig bruikbare groeiseltjes als look-zonder-look...
En dus is mijn definitie een zo breed mogelijke: een kruid is voor mij een plant die omwille van bepaalde aspecten (inhoudstoffen, smaak, en soms de vorm, of een symbolische betekenis) een waarde heeft voor de mens die verder gaat dan het strict utilitaire. Een berk die tot planken wordt verzaagd en gebruikt als timmerhout wordt dan niet als 'kruid' gebruikt. Leverkruid, verwerkt in een 'kruidwis', en dus symbolisch gebruikt is voor mij wel een kruid...

Even terug naar onze look-zonder-look... Voor mij is het een kruidje... Door zijn inhoudstoffen is het lekker als toevoeging aan sla (smaak), hoewel het dus niet echt een medicinale betekenis heeft.
Dat het botanisch gezien een kruid is, maakt het des te meer een kruid voor mij, en bovendien is het plantje voor mij symbool voor mijn wijze van tuinieren. Ik probeer in mijn tuin zo ecologisch mogelijk te tuinieren, waarbij ik (dus) ook aandacht wil hebben voor ecologische leefgemeenschappen, en ruimte wil bieden voor inheemse planten.
Toen wij ons huis (met grote tuin) kochten, vond ik één plantje look-zonder-look in de tuin. Ik heb dat plantje gekoesterd en beschermd, en het volgende jaar waren er enkele nieuwe plantjes (geen bloemen, want het is een tweejarige). In de loop van de jaren zijn er plantje sgeweest die al eens gebloeid (en zaad gevormd0 hebben in hun eerste jaar, en sindsien heb ik nu jaarlijks bloemetjes... En vorig jaar werd ik beloond: look-zonder-look is een van de waardplanten van de oranjetip (een vlinder uit de witjes-familie). Twee jaar geleden zag ik voor het eerst een oranjetip in de tuin, maar niet langer dan een dag, en vorig jaar zag ik dat vlindertje heel regelmatig in mijn tuin rondfladderen....

2 opmerkingen:

Rob zei

Ja, dat is best een interessante kwestie: kruid, kruidkunde. Eerst maar even wat het WNT (Woordenboek der Nderlandse Taal) zegt, dan gaan we door het hele scala van nuancen, en daaruit zal ook blijken dat een kruid niet per se een kruid in engere zin (volgens de botanici) hoeft te zijn.

Kruid, vrij algemeen verwant geacht met Grieks βρύειν, zwellen, uitspruiten, en βρύον, mos enz. Over 't algemeen wordt kruid voor een collectief begrip gebruikt; vandaar dat het voor een enkel voorwerp zelden anders wordt gebezigd dan met bijgedachte aan de soort waartoe dat enkele voorwerp behoort; vandaar ook dat het zo vaak in 't mv. voorkomt.
1. Benaming voor planten met niet-houtigen stengel.
a. Als naam voor eene plantensoort, of voor een enkel exemplaar dat als vertegenwoordiger van zijne soort wordt genoemd. Een seltsaem cruydeken wt Oost Indien, DODON. 1575 a [ed. 1608].
— Spr. (in Z.-Nederl.). Kwâ kruid en bederft niet, in denzelfden zin als onkruid vergaat niet (zie Dl. X, 1711).
b. Als naam voor een afzonderlijke plant, zonder dat aan de soort wordt gedacht. Thans in 't enkelv. niet in gebruik.
Als 't teere kruidje werd vertreeden, Dan reist zyn geartje van beneden, LUYKEN, Bykorf 103.
c. Het meerv. kruiden (kruideren) heeft vaak de onder a) genoemde bet., of wel 't wordt in collectieven zin gebruikt voor: al wat er aan kruidachtige planten is (in 't algemeen, of in zekere streek b. v.), soms zelfs min of meer als stofnaam; verg. hieronder bij d). Slechts zelden heeft 't den onder b) genoemden zin, maar niet altijd is 't onderscheid tusschen de genoemde beteekenissen met zekerheid te maken.
d. Als collectief in den zin van: de gezamenlijke kruiden, al wat er (in 't algemeen, of b. v. in zekere streek) aan kruidachtige planten is. Soms zelfs min of meer als stofnaam voor een deel daarvan.
e. Als term in de plantkunde.
Sommige … worden Boomen genoemt, sommige Hesteren, sommige Houtachtighe cruyden, de vierde Cruyden alleen, DODON. 5 a [ed. 1608].
2. Nu en dan bij uitbreiding voor plant in 't algemeen.
Ik geloof niet, dat ik ooit groote vordering in de wetenschap der kruiden zal doen, CONSC. 2, 417 b [ed. 1868].
3. Gewestelijk in beperkter beteekenissen. Zoo b. v. in een groot deel v. Z.-Nederl. voor 't (verdorde) loof van aardappels en derg., of wel voor” gebladerte van eene bloemplant. Ook wel gebezigd als naam voor bepaalde planten, b. v. hier en daar in Z.-Nederl. voor Koolzaad, Brassica Napus (HEUKELS 42 [1907]), en 't mv. kruien op Tessel voor Duizendguldenkruid, Erythraea (HEUKELS 96 [1907]).
4. Tal van kruiden (in de bet. 1) dienen tot voedsel voor mensch of dier. Verg. de beperkter toepassing van het woord op soepgroenten en toekruiden bij de boeren in 't O. van N.-Nederl., en op schrobben en vitsen die te zamen gezaaid worden en te zamen opgroeien, tot voedsel voor de beesten, 'tzelfde als ”boonekruid”, hier en daar in Z.-Nederl.
5. Verschillende kruiden (in de bet. 1) bezaten volgens 't oude volksgeloof tooverkracht.
6. Tal van kruiden (in de bet. 1) worden voor geneeskundige doeleinden gebezigd.
Gulden roede wort oock gherekent onder die cruyderen diemen in de Wondtdraucken pleegt te doen, DODON. 222 b [ed. 1608].
— Vandaar 't gebruik van kruid, soms met bijvoeging van medicinaal of iets dergelijks, in de bepaalde bet. van: geneeskrachtig kruid, geneeskrachtige plant; vervolgens voor: plantaardige stof, met name poeder, of voorwerp uit het plantenrijk voor geneeskundig gebruik, en: daaruit vervaardigd geneesmiddel. Vaak in fig. gebruik voor geneesmiddel in 't algemeen.
Aromatische kruiden, een mengsel van tijmkruid, pepermuntbladen, lavendelbloemen, kruidnagelen en staartpeper; Species aromaticae (Suppl. Ned. Pharmacop.³ 212).
Bittere kruiden, koortskruiden, een mengsel van oranjeschil, kalmuswortel, alsemtoppen enz.; Species amarae (zie Ned. Pharmacop.³ 218).
Zegsw. Daar is geen kruid voor gewassen, daar is niets aan te doen; tegen den dood is geen kruid gewassen.
Soms bijna zooveel als middel (voor een zeker doel) in 't algemeen, al gaat 't gevoel voor de beeldspraak niet verloren. Zoo in verschillende westvl. uitdrukkingen.
7. Het gebruik van verschillende geurige of prikkelende kruiden bij de bereiding van spijzen enz. (verg. boven bij 4), heeft het woord de bet. verschaft van: specerij, kruiderij. Uiteraard wordt kruid in dezen zin gewoonlijk als collectief of stofnaam gebruikt; het mv. geeft in den regel te kennen dat er van verschillende soorten sprake is. Verg. VERDAM 3, 2187 volg. Nog thans wel hier en daar in deze bet. gebruikelijk, inzonderheid voor de kruiderijen die bij de slacht te pas komen.
8. Kruid wordt ook, verbonden met een bnw. als virginisch en derg., of als 't zinsverband duidelijk genoeg is zonder attribuut, toegepast op de tabaksplant en haar voortbrengsel de tabak; thans nagenoeg alleen in scherts. Het is onnoodig aan te nemen (zooals voor hd. kraut wel gebeurd is) dat deze toepassing van de onder 6) genoemde beteekenis afkomstig zou wezen. Verg. 't gebruik van eng. weed voor tabak.
9. Dat kruid voorheen ook in den zin van poeder is gebruikt blijkt uit enkele samenst., waarvan vooral buskruid (buskruit) met zijne synoniemen vermeld moet worden, en uit 't gebruik van kruid zelf in den zin van buskruit (reeds in het Mnl.). Uitvoerig is daarover gehandeld door BECKERING VINCKERS in Taal- en Letterb. 3, 125 volgg. Zie verder bij KRUIT.
10. In de, thans verouderde, vergelijking als een kruid, in toepassing op personen in den zin van: flink, geschikt.

Dat kruid vroeger niet alleen werd gebruikt voor niet houtachtige planten, blijkt ook uit het feit dat veel beroemde boeken uit de Renaissance kruidboeken heetten (let op het verschil: het gaat hier om kruidboeken, niet om kruidenboeken). Zo'n kruidboek heette in het Latijn: Herbarius. Beste voorveeld voor Nederland/Vlaanderen: het Cruijdeboeck van Dodoens, en de latere uitgebreide drukken hiervan: Cruydt-boeck of Kruydt-boeck (1608, 1618, 1644).
Het WNT over kruidboek:

Kruidboek, voorheen ook voor een boek met gedroogde planten, een herbarium (”Herbarius oft Cruydt-Boeck van Rembertus Dodonaeus”, Titel; ”Men heeft hedendaagsch zeer veele en fraaije Kruidboeken, waar in de planten van veelerlei geslagten en zoorten afgebeeld en beschreeven zijn”, CHOMEL 1651 b; ”Leevendig-Kruid-boek; Herbarium vivum; Hortus siccus; noemt men een Boek, waar in men kruiden of planten, die men zindelijk opgedroogt heeft, bewaart, om derzelver gedaante te kunnen nazien”, Ald.; ”Vergelijkt dus, hetgeen ik hierover in het midden zal brengen, bij eene gedroogde vreemde plant in een kruidboek; de frissche verwen zijn verschoten, de aangename geur is lang weg gewasemd: maar gij ziet van hare gedaante, wat gij zien kunt”, V. D. PALM, Red. 3, 5; ”Op den buiten maakt hij een kruidboek voor zijn kleinzoon”, ROOSES, N. Schetsenb. 323)

Uit de historische schets komt wel naar voren dat kruid in een woord als kruidengeneeskunde niet alleen gaat over kruidachtige planten in de botanische zin van het woord, maar dat het gaat om geneeskrachtige planten, en daartoe behoren dan ook de houtachtige gewassen als struiken, heesters en bomen.

Een recente Nederlandstalige uitgave, De groene apotheek door Grünwald en Jänicke, spreekt dan ook liever over plantengeneeskunde, want plant is een ruimer begrip, waartoe men zowel de kruidachtige gewassen als de heesters en bomen kan rekenen.

Ook de Engelse begrippen herbal medicine en herbalism beperken zich niet tot alleen maar de kruiden, maar dekken het begrip plantengeneeskunde. Het is dus eigenlijk gelijk aan fytotherapie, en dat klopt ook wel: het Griekse woord phyton betekent plant. [De term fytotherapie werd geïntroduceerd door de Franse arts Henri Leclerc (1870-1955). Zijn ervaringen legde hij ten slotte neer in zijn Précis de Phytothérapie.] Naast het woord phyton kenden de Grieken ook het woord pharmakon. Dit woord had een wat andere betekenis, meer toegespitst op de werking/inhoudstoffen: toverdrank, gif, geneesmiddel. De Romeinen maakten weer een onderscheid tussen vergift (venenum of virus) en geneesmiddel (medicamentum). In de middeleeuwen werd de giftige werking van het pharmakon (veelal een plantaardig middel) ontkend, want geneesmiddelen kwamen, volgens de toen geldende opvatting, van God en die was niet in staat giftige stoffen voort te brengen. Pas in de 16e eeuw keerde de arts Paracelsus terug naar de opvatting uit de Griekse oudheid: alle dingen zijn gif en niet zonder gif, alleen de dosis bepaalt of iets gif is. In het verlengde hiervan ontstonden er onderzoekers die zich farmacologen (die zich bezighouden met de kennis en leer van de geneesmiddelen en van de inwerking van chemische stoffen op levende organismen), farmaceuten (apothekers) of fytochemici (die zich bezighouden met de chemische processen in planten) noemen, die zich bezighouden met de eigenschappen en werking van geïsoleerde medicinale principes van de traditionele pharmaca. Het was logisch dat zij een plantaardig geneesmiddel daarom een een phytopharmacon noemden.

Nog een aardigheid in verband met het Duitse woord Wurz (Engels: Wort). In het grijze verleden werden de voorouders van de wijze vrouwen (heksen) en helers vereerd als Würzelkundige (Wortcunners in het Engels). Onder Wurzel of Wurz verstond men toen niet: wortel (rhizoon, knol, stolon), maar vooral het geneeskrachtige, tot heil werkende wezen van een plant. Dit Wurz vinden we nog terug in veel geneeskrachtige planten, zoals Magenwurz (kalmoes), Meisterwurz (meesterwortel, meesterkruid, negenkracht, toverwortel), Schwalbenwurz of Goldwurz (stinkende gouwe), Haselwurz (Mansoor). En in het Engels zijn er identieke namen die eindigen op -wort.

Rob zei

Alliaria petiolata (Alliaria officinalis, Sisymbrium alliaria, Erysimum alliaria): Look-zonder-look.

Beschreven door Dodoens (Cruijdeboeck 1554): Dit cruyt heeft ierst rondachtighe bladeren/ schier gelijck Violetten cruyt maer breeder grooter ende bleecker van verwen. Tusschen dese coemt die steel voort/ ontrent twee voeten hooch/ daer aen wassen bladeren die langer ende smalder sijn dan die ierste/ ende rontsomme ghekerft/ den bladeren van Netelen niet seer onghelijck/ maer meerder. Die als sy in stucken ghewreven worden/ ghelijck Loock riecken ende smaecken. Aen dopperste van den stelen wassen vele cleyne witte bloemkens/ ende daer naer cleyne langhe hauwkens/ daer in swert saet leyt. Die wortel es lanckachtich, dun ende houtachtich.

Naam (Dodoens, Cruijdeboeck 1554): Dit cruyt wordt nu ter tijt in Latijn gheheeten Alliaria/ van sommighen oock Scordotis/ maer en es die oprechte Scordotis niet/ want die wordt oock Scordium ghenaempt/ daer af hier voor ghescreven es/ Pandectarius heet dit cruyt/ Pes asininus. In Hoochduytsch wordt ghenaempt Knoblochkraut/ Leuchel/ oder Salszkraut. In Neerduytsch Loock sonder loock. In Franchois Alliayre.

Look-zonder-look: want de geur van deze plant is lookachtig, maar zijn habitus lijkt in niets op een ui of een andere alliumsoort. Het geslacht is zelfs niet verwant aan Allium. Alliaria behoort tot de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae), Allium behoort tot de Lookfamilie (Alliaceae).

Het gebruik als toekruid schijnt indertijd veelvuldig te zijn geweest, gezien de volksnamen die men in Nederland en in het buitenland aan de plant gegeven heeft. Bekend zijn Knooflookkruid en Klein(e) look, in Duitsland Knoblochkraut, in Frankrijk Herbe aux aulx, in Engeland Garlic-mustard en Hedge-mustard (Heggemosterd), naast Poor man's mustard.

Nog andere volksnamen: Lookraket, Lookkruid, Lookzim, Berglook, Witte steenraket, Lookmaagdepalm, Kiek, Keek of Kijk en Witte kiek.

Look-zonder-look zou volgens de volksgeneeskunde opwekkend, diuretisch, zweetverwekkend, wormdrijvend en borstzuiverend zijn.